Zoals gezegd kwam er na 5 jaar een einde aan ons verblijf in Punta Cardon en was het wachten op wat de volgende stap zou zijn in de loopbaan van mijn vader.  De periodes van 5 jaren buitenland sloten niet naadloos aan elkaar, meestal viel het samen met het groot verlof van mijn ouders, de uitgelezen kans om naar Nederland te gaan om familie te bezoeken.  Dit keer gingen we niet vliegen maar met de boot, in ons geval de Nieuw Amsterdam. Op die  reis heb ik nog mijn sleutelbeen (links) en 2 ribben gebroken, zonder dat de medische dienst aan boord dat geconstateerd had. Ik stelde me aan was het commentaar op mijn aanhoudende huilbuien van pijn.

Pas toen ik in nederland tijdens het steppen op een gladde weg onderuit ging en ik het weer op een brullen zette is mijn moeder met mij naar het ziekenhuis gegaan en daar werden de gebroken ribben en sleutelbeen geconstateerd. De ribben waren weer redelijk aan elkaar gegroeid, maar door de valpartij was het sleutelbeen opnieuw gebroken.

Ik kreeg een spalk en mitella om de breuk van het sleutelbeen te laten genezen. Uiteindelijk is het goed gekomen en heb ik nergens meer last van.

 

Eerst hebben we bij familie in Groningen gewoond, flink verspreid, maar later werd een huis gehuurd in Heemstede. Hier heb ik nog een half jaar op school gezeten en maakte kennis met het leven in Nederland. Als (verwend) tropenkind vond ik het maar een rare bekrompen wereld, waar totaal andere normen golden dan wat ik tot nu toe gewend was. (ook dit heb ik in een apart verhaal beschreven) .

Ondertussen was bekend waar de volgende reis naar toe zou gaan: Indonesië .  Mijn broers en zus waren allemaal te oud om nog mee te gaan, maar ik was 11 en mocht dus nog 1 jaar mee, nog 1 jaar genieten van een  onbezonnen jeugd in een exotisch land.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De reis naar Indonesië heb ik in een apart verhaal beschreven, dit gaat over mijn tijd in Pladju.

We woonden op een redelijk centrale plaats in de compound, rechts mijn school en richting de rivier, de Musi,

had je het zwembad, de soos, het ziekenhuis en de toko.  Meer was er eigenlijk niet te beleven in het dorp.

Voor ons huis was een open veldje en daarachter was een kleine kampong, afgescheiden door prikkeldraad van onze compound.  Normaal bleven de inlanders keurig achter de omheining, maar 1 of 2 keer per jaar kwam er een uitbarsting en werd er amok gemaakt. Doodeng om mee te maken, maar al gauw bleek de opgekropte woede niets met ons nederlanders te maken hebben, maar meer tegen de regering in Jakarta.  Omdat die ver weg was reageerden ze zich af op andere dingen:  honden en chinezen.  Nu zou je zeggen, waarom honden?? In elke kampong liepen altijd kamponghonden rond en die lieten ze met rust, maar waarom dan onze honden?  Eigenlijk was daar een simpele reden voor en mede veroorzaakt door ons, de jeugd.

Indonesiërs waren in feite doodsbang voor handen en dat voelden onze trouwe viervoeters haarfijn aan, ze  maakten daar - aangemoedigd door ons - schandelijk misbruik van. Reed er een inlander heel trots op zijn fiets door onze straten dan stoven onze honden erop af en onder luid geblaf probeerden ze hen in de kuiten te bijten. Niet echt, maar dat wist de inlander niet.  

wp036ed0dd_0f.jpg

wp544bfb38_0f.jpg

Ons huis in Pladju

Onze bediendes, kokkie, wasbaboe en 2 kinderen (deze foto kreeg ik als afscheidskado van hen

Verder

wp5533b116.gif